

Disco borduurt voort op soul en funk maar legt, meer nog dan die muzieksoorten, de nadruk op het ritme en de groove. In Newyorkse homo-clubs ontstond de gewoonte om discomuziek visueel aan te vullen met camp-elementen als gekleurde lampen, glamoureuze kleding, een lichtgevende dansvloer en de legendarische, met spiegeltjes beklede discobol.
De commerciële hoogtijdagen van de disco begonnen in 1974 met de hit Never can say goodbye van Gloria Gaynor. Met het uitkomen van de disco-film Saturday Night Fever in 1977 was de rage op zijn hoogtepunt. Zelfs artiesten als de Bee Gees, Rod Stewart, KISS en de Rolling Stones bekeerden zich korte of langere tijd tot het genre.
Tegelijkertijd keerde een aanzienlijke groep muziekliefhebbers zich nadrukkelijk tegen de discorage, die door hen als een leeghoofdig massaverschijnsel werd gezien. Deze aversie vond zijn weerslag in nummers als Dancin' Fool van Frank Zappa (1979), Gruppo Sportivo's Disco Really Made It (It's Empty and I Hate It) (1979) en In de Disco van Noodweer (1983).
Op disco gebaseerde muziek (door disco-puristen danspop genoemd) bleef tot eind jaren tachtig de populaire dansmuziek voor jongeren uit de mainstream. Het genre ging op in de (acid)-house.