
1863: Von Helmholtz' tonenleer
De Duitse fysicus Hermann von Helmholtz (1821-1894) legt de
basis voor de moderne muziektheorie met zijn klankleer,
kortgezegd het gegeven dat elke toon is opgebouwd uit een aantal
boventonen en grondtonen.

1874: De Siemens Speaker
Ernst W. Siemens ontwikkeld op papier de basis voor een
luidspreker. Hij brengt de theoretische kennis echter niet in de
praktijk. Alexander Graham Bell doet dit twee jaar later wel,
als hij de kennis toepast voor de ontwikkeling van de telefoon,
gepatenteerd in 1876.

1877-1878: Fonograaf geboren
Thomas Alva Edison, een Amerikaanse uitvinder van Nederlandse
afkomst, demonstreert zijn fonograaf, het eerste toestel dat in
staat is opgenomen geluid te reproduceren. Deze vinding stond
niet op zichzelf, maar was het voorlopige hoogtepunt in een
evolutie op het gebied van geluidsoverdracht. In 1854 vond
Antonio Meucci in de VS de mechanische telefoon uit, drie jaar
daarna kwam Leo Scott al met een apparaat dat in staat was
trillingen vast te leggen op een cilinder. In 1878 wordt de
eerste muziek opgenomen als Jules Levy 'Yankee Doodle' aan de
fonograaf toevertrouwd.

1887-1889: Eerste platenlabels
Op 14 juli 1887 heeft de oprichting plaats van de eerste
platenmaatschappij, de North American Phonograph Company. Maar
er zijn meer belangwekkende ontwikkelingen op het gebied van
geluidsdragers. De geboren Duitser (verkast naar de USA) Emile
Berliner demonstreert op 16 mei 1888 zijn gram-o-phone bij het
Franklin Institute in Philadelphia. Het gaat om vlakke platen
(12 centimeter in diameter, circa 1 centimeter dik) die nadien
Edisons cilinderrol zullen vervangen. Voor bescherming van het
patent richt Berliner nadien te Washington United States
Gramophone Company op. Ook Columbia Phonograph Company volht
even later (1889). In eerste instantie maakt en exploiteert
Columbia de stenograaf van Edison, die korte tijd door de
politiek in Washington worden gebruikt als dicteerapparaten. In
Duitsland bewijst natuurkundige Heinrich Hertz ondertussen
(1888) de theorie van de Brit James Clerk Maxwell uit 1865 dat
van een elektrische vonk elektromagnetische golven uitgaan - met
deze golven kunnen radiosignalen worden uitgezonden, een
belangrijke schakel op weg naar radio-uitzendingen.

1892: Eerste muziekstudio
Gianni Bettini geldt als pionier van de opname techniek. Hij is
1860 geboren in Italië en naar de VS vertrokken. Hij
experimenteerde eerst met het opnemen van muziek via de
fonograaf. In 1892 opende hij een studio op Fifth Avenue in New
York en hij maakte opnamen met onder anderen Sarah Bernhardt en
Yvette Guilbert. Deze studio geldt als de eerste muziekstudio
ter wereld en droeg de naam New York Phonograph Company. New
York zou gedurende vele jaren het hart blijven van de
Amerikaanse opname business. Vijf jaar later opent in
Philadelphia opent de eerste min of meer professionele
opnamestudio, waar de muziek meteen wordt vastgelegd op een
plaat.

1898: Lodge en Poulsen
De Brit Oliver Lodge krijgt patent op technische verbeterde
hoorn luidsprekers. In hetzelfde jaar presenteert Lodge zijn
baanbrekende vinding waarmee de radio op verschillende
frequenties (en dus verschillende zendstations) kan worden
afgestemd. In 1901 legt de Brit John Stroh de theorie vast voor
papieren conussen voor luidsprekers. In 1898 ontdekt de Deen
Valdemar Poulsen het principe van magnetische recording. Tijdens
de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs demonstreert hij
zijn vinding, waarbij in eerste instantie sprake is van het
vastleggen van geluid op staaldraad.

1903: Eerste millionseller
De platenwereld heeft zijn eerste millionseller. Van een plaat
van Enrico Caruso worden meer dan éénmiljoen exemplaren
verkocht.

1907: De Forest en de Tube
In 1904 vond de Brit John Fleming de diode uit, een vinding die
door de Amerikaan Lee de Forest werd vervolmaakt tot de triode,
de bekende radiobuis ofwel tube. Het betekent een grote sprong
voorwaarts in de overbrenging van signalen. De Forest past zijn
tube in 1907 voor het eerst toe. In 1911 gebruikt hij de
buizentechniek om een praktisch te gebruiken versterker te
bouwen.

1910: Live from NYC
De eerste live uitzending van een concert is een feit.
Rechtstreeks via de radio uitgezonden wordt het concert dat
Enrico Caruso geeft vanuit de Metropolitan Opera in New York.

1915: Speakers voor Speeches
Radiobuizen gaan in de USA een steeds grotere rol spelen bij het
versterken van geluid. Inmiddels zijn ook betere microfoons en
speakers beschikbaar. De technologie is feitelijk gebaseerd op
de telefonie. Het spreekgedeelte van de telefoonhoorn leidde tot
de eerst microfoons, het afluistergedeelte tot speakers. De
telefoonspeakertjes waren van resonerend metaal, voor grotere
speakers wordt dit metaal rond 1920 vervangen door papieren
conussen. In de USA leiden deze ontwikkelingen tot de eerste
voorlopers van het P.A. systeem (Public Adress) voor de
versterking van voornamelijk speeches.

1919-1923: Magnavox en microfoon
De Amerikaanse president Woodrow Wilson hield op 9 september
1919 een toespraak voor meer dan 50.000 toehoorders in San Diego.
Het betekende een keerpunt in de historie van public adress
systemen. Wilson sprak door een P.A. van Magnavox. Wilson sprak
door twee grote hoorns, die zijn stem doorgaven aan een
microfoon. De stem van Wilson kon via speakers tot in de wijde
omtrek worden gehoord. De Magnavox was gebaseerd op een
luidspreker van Peter Jensen en Edwin Pridham uit 1911. Pridham
had zelf de supervisie over de opzet van het systeem in San
Diego. In 1921 wordt voor het eerst een menigte van meer dan
honderdduizend mensen versterkt toegesproken, waarbij zogenaamde
carbonaat microfoons worden gebruikt. Het gebeurt allemaal nog
twee jaar voor de uitvinding van de elektrische microfoon, want
deze ziet in 1923 het levenslicht.

1921: Commerciële radio
Het eerste commerciële radiostation is een feit, KDKA in
Pittsburg USA.

1925: Buizenrecorders en meer mics
Tot 1925 werd alle muziek helemaal live in de studio opgenomen
via één hoorn die als microfoon fungeerde, een hoorn waaromheen
alle muziekmakers zich moesten verdringen om gehoord te worden.
In 1925 doet de buizenrecorder zijn intrede. Dit betekende dat
her en der al opnames werden gemaakt met meerdere microfoons en
het geluid dat werd vastgelegd ook beter bijgesteld kon worden.
Verder is 1925 het jaar dat de eerste condensatormicrofoon (van
General Electric/RCA) wordt geïntroduceerd, met een radiobuis en
met een losse batterijbehuizing, die op de grond gelegd kon
worden. Het betekent dat artiesten in studio's niet langer voor
een hoorn te hoeven zingen en spelen.

1925: Elektrische platenspeler
De platenmaatschappijen en de rest van de fonografische
industrie zit intussen ook niet stil. In Amerika komt in 1925 de
eerste elektrische platenspeler op de markt en dit betekent dat
de zogenaamde slingergrammofoon zijn langste tijd heeft gehad.
Ook verschijnen de eerste grammofoonplaten op 78 toeren.

1927: Einde van de stomme film
Tot het midden van de 1920's waren films stom. Dat wil zeggen
dat er geen sprake was van de combinatie gesproken woord-film.
Vaak speelden kleine orkesten live in de bioscoop om flimbeelden
te ondersteunen. In 1925 werd al gepionierd met de eerste '
gesproken film', in 1927 verscheen 'The Jazz Singer' met een
zingende Al Jolson. Het was de eerste grote film met integraal
gesproken woord. In 1913 voerde Thomas Alva Edison al vroege
experimenten uit met filmbeelden die vergezeld gingen van
gesproken tekst.

1927: Geluidswerk is veldwerk
Her en der in de wereld trekken er geluidsmensen met apparatuur
op uit om geluid en muziek vast te leggen. Belangrijke
veldwerkers waren Amerikanen als Ralph Peer en Alan Lomax. Peer
(1892-1960) is één van de eersten die countrymuzikanten in het
land opnames laat maken (onder wie Jimmie Rodgers), terwijl Alan
Lomax rondtrekt en belangrijke opnames maakt van folk- en
bluesmuziek, zoals de eerste opnames van Leadbelly en Muddy
Waters.

1928-1932: Steeds meer fabrikanten
Het nieuwe bedrijf van de Duitse technicus Gerorg Neumann komt
met een primeur: de CMV-3 condensatormicrofoon, die bekend wordt
onder zijn bijnaam de Neumann Bottle. Niet alleen in Europa,
maar vooral in de USA ontstaan steeds meer bedrijven die zich
richten op audiotechnische apparatuur. Nadat voorlopers als
Westinghouse en General Electric de microfoonproductie voor
gezien houden (en pioniers als RCA en Westinghouse overblijven)
komen nieuwe firma's op, zoals Electro-Voice. Het gaat vaak om
firma's die zich met het maken van microfoons en audioapparatuur
eerst op de regionale markt richtten. Rond 1930 telde de USA
ongeveer vijftig van dit soort kleine fabrikanten.

1930's: Opkomst van de amps
In de 1930's komen de versterkers voor live-muziek opzetten. Het
gaat onder meer om simpele speakerkasten om de eerste gitaren
die zijn voorzien van elementen te kunnen versterken. Deze amps
worden onder meer gebruikt in de populaire bigbands in de
jazzmuziek. Ook - en vooral in deze luide orkesten - komt de
zangversterking op.

1931: 's Werelds grootste studio
Op 12 november 1931 opent Abbey Road in Londen, 's werelds
grootste geluidsstudio van platenmaatschappij EMI. In hetzelfde
jaar komt Alan Blumlein van EMI met het principe van
stereogeluid.

1934-1935: Basf en AEG
De Duitse firma's Basf en AEG verrichten baanbrekend werk in de
wereld van de opnametechniek. In 1934 presenteert Basf de eerste
opnametape van kunststof met daarop een laagje ijzeroxyde. Deze
tapes worden gebruikt in combinatie met 's werelds eerste
taperecorder (de Magnetophon) die AEG een jaar later
introduceert. Tot 1939 worden ongeveer 380 Magnetophons
verkocht.

1942: Stereo tapes in Duitsland
Helmut Kruger maakt in Berlijn in de studio's van een Duits
radiostation de eerste tape opnames in stereo. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog komen dankzij de oorlogscommunicatie de
ontwikkelingen op het gebied van radio en opnameapparatuur in
een stroomversnelling. Niet alleen levert de oorlog veel
radiotechnici op, met name in Duitsland wordt driftig gewerkt
aan de ontwikkeling van taperecorders. Met deze Duitse
technische kennis, zoals de Magnetophon van AEG, doet met name
de USA zijn voordeel, hetgeen leidde tot het ontstaan van
firma’s als Ampex en 3M.

1944: Ampex ontstaat
In de USA wordt de firma Ampex opgericht, een naam die ontleend
wordt aan de naam van stichter Alexander M. Poniatoff.
Aanvankelijk maakte Ampex elektromotoren voor legerdoeleinden,
maar als snel speelde de firma een belangrijke rol bij de
ontwikkeling van taperecorders, een vinding die via het
Amerikaanse leger vanuit Duitsland naar de USA kwam. In 1945
stuurt de Amerikaanse sergeant John T. Mullins de Duitse
Magnetophone taperecorders naar zijn vaderland. Onder meer Ampex
doet er zijn voordeel mee. Dadelijk na de oorlog verzorgt
Mullins onder meer nog de recording apparatuur voor megaster
Bing Crosby (1947-1948). In 1953 maakte Ampex als (een van de
eersten) een viersporen recorder, in 1956 maakte de firma een
achtsporen recorder voor gitarist Les Paul.

1946: Les Pauls overdubs
Gitarist annex producer Les Paul (dezelfde van het beroemde
Gibson gitaarmodel uit 1952) experimenteert met overdubs. Les
Paul - producer van onder anderen de Andrews Sisters - brengt in
1948 zijn single 'Lover' uit, de eerste pophit met volop
overdubs. Buddy Holly volgt nadien (zie 1957).

1947: Nieuw van Neumann
Neumann komt met de eerste variable pattern microfoon, de
Neumann U-47.

1948: Einde aan inkrassen
Tot na de Tweede Wereldoorlog werd in studio's overwegend
opgenomen op platen waarin de geluidsgolven 'gekrast' werden.
Vanaf 1948 behoort deze techniek snel tot het verleden als op
grote schaal taperecorders hun intrede doen.

1950: Sam Philips begint
In januari 1950 opent radiotechnicus Sam Phillips de deuren van
zijn Memphis Recording Service. Hij neemt van alles en nog wat
op, zoals bruiloften en partijen, maar verleent ook de dienst
dat klanten een plaatje in een oplage van een kunnen opnemen.
Dat doet in 1953 en 1954 ook Elvis Presley. Phillips wordt
beroemd met de zogenaamde Sun Tape Echo, die zich kenmerkt door
een heldere open galm. Deze maakte hij door zanglijnen tegelijk
met twee microfoons op te nemen op twee verschillende
taperecorders. De echo verkreeg hij door de zangpartij op de
tweede taperecorder in de eindmix net een fractie na te laten
ijlen. Toen Presley naar RCA overstapte, duurde het even voordat
men dit trucje leerde. De Sun Tape Echo werd een fenomeen in de
rockabilly. Ten tijde van Phillips maakt ook Cosimo Matassa naam
met zijn J&M Studio in New Orleans.

1952-1957: Studio annex platenmij
Al vanaf het begin van de twintigste eeuw hadden de oudste
platenmaatschappijen hun eigen opnamestudio’s. In de 1950’s is
dit verband tussen studio’s en platenfirma’s op zijn hoogtepunt.
Beroemde voorbeelden zijn EMI’s Abbey Road Studio’s in Londen en
de studio’s in de Capital Tower van de gelijknamige
platenmaatschappij in Hollywood L.A. Stereo geluid wordt in 1952
ontwikkeld door gebruik te maken van de mogelijkheden die de
bestaande tweesporen recorders te bieden hebben.

1954: Kleine recorders
De Japanse firma Sony introduceert de eerste zakformaat
transistorradio en hiermee kan de jeugd op elke plek luisteren
naar de muziek van zijn eigen smaak, zonder nog langer op de
grote radio's in het ouderlijk huis te zijn aangewezen. Ook
opname apparatuur wordt in enige mate portable, onder meer met
de introductie van de relatief compacte Model 600 recorder van
Ampex. Platenmaatschappijen RCA en Mercury brengen in hetzelfde
jaar de eerste commercieel verkrijgbare stereo grammofoonplaten
uit.

1955-1960: Maximaal 40 watt
Met de opkomst van de popbands (Shadows, Beatles) verandert er
aanvankelijk nog niet zo gek veel in de versterking van live
gemaakte muziek. Vaak zijn de bands uit deze tijd aangewezen op
de standaard in theaters en zalen aanwezige P.A. installaties,
die meestal uit niet meer bestaat dan twee zangmicrofoons. De
drums zijn onversterkt, de gitarist en bassist moeten zich bij
het publiek hoorbaar maken met hun instrumentversterkers van
maximaal zo'n 40 watt.

1956: Neumann en Ampex
De SM-2 van fabrikant Neumann komt op de markt en geldt als de
eerste stereo studiomicrofoon. In hetzelfde jaar beleeft Ampex
de primeur van de eerste achtsporen recorder (bijgenaamd
Octopus). De eerste twee worden geleverd aan Tom Dowd van
Atlantic Records en gitarist Les Paul. Dowd richt als eerste
(voor Atlantic Records) met een Ampex Octopus recorder een
volledige achtsporen studio in en moest hiervoor zelf een
aangepaste mengtafel maken. Pas vanaf halverwege de 1960's komen
achtsporen recorders meer algemeen in gebruik, want hoewel er
her en der al wordt gepionierd met meer sporen, komen recorders
met drie en vier sporen pas in de periode 1956-1958 opzetten in
de USA. Dit biedt voor het eerst de mogelijkheid opnames te
maken met minder bijgeluiden en verschillend instrumentarium per
spoor op te nemen, bijvoorbeeld een drumspoor, een zangspoor en
een gitaarspoor. Hoewel in Europa de trend naar drie en vier
sporen later inzet, kent ook de UK zijn eigen goeroe op dit
gebied: Joe Meek experimenteert met echo’s en miking.
1957: Buddy gedubt
Producer Norman Petty verricht bij de opnames van 'Words Of Love'
van Buddy Holly baanbrekend werk door voor zowel de gitaar- als
zangpartijen de techniek van overdubs te gebruiken.
1959: Eerste stereo platen
In 1959 verschijnen de eerste grammofoonplaten op de markt die
in stereo kunnen worden afgespeeld. Het zou nog geruime tijd
duren voordat mono goeddeels verdrongen was en nog veel langer
totdat de meeste radiostations ook in stereo gingen uitzenden.
1960: Wall of Sound
Phil Spector legt de basis voor zijn beroemd geworden Wall Of
Sound in de Gold Star Studio in Los Angeles. Spector neemt
platen op met gigantisch uitgebreide bands met niet alleen
verschillende gitaristen, maar soms ook drie basgitaristen en
een veelvoud van andere instrumentalisten. Daarnaast maakt bij
bewust gebruik van overspraak, waarbij verschillende microfoons
– geplaatst bij een andere geluidsbron - de verschillende
instrumenten registreren.
1960-1965: Naar de 100 watt
Aan het begin van de 1960's komt er langzaam maar zeker
verbetering in de instrumentversterking van popbands. Bedrijven
als Marshall, Vox en Selmer komen met gitaarversterkers die een
maximaal vermogen kennen van 100 watt. P.A. systemen voor bands
blijven in deze periode nog vrij primitief, in het gunstigste
geval kunnen popgroepen beschikken over P.A.
transistorversterkers met een maximaal vermogen van 200 watt.
Vermeldenswaard is ook de toer-P.A. van de Beach Boys, in 1963
speciaal voor de groep ontwikkeld door Sunn Electronics. De
Beach Boys P.A. wordt wel beschouwd als het eerste grote en
complete P.A. systeem voor popgroep toers.
1962: SMPTE-code
In 1962 wordt de standaardcode SMPTE geïntroduceerd. Het gaat om
de tijdcode die zowel in de hele audio-visuele wereld heel lang
de standaard zal blijven. De afkorting staat voor Society of
Motion Picture and Television Engineers, de brancheclub van
technici uit de film- en televisiewereld in de VS.
1963: Brian Wilson en het geluid
Brian Wilson neemt de geluidstechniek bij studio opnames van The
Beach Boys in eigen hand en is hiermee één van de eerste
muzikanten die dat doet. Legendarisch wordt het album 'Pet
Sounds', in de periode 1965-1966 opgenomen.
1965: 55.000 man bij Beatles
In 1964 braken The Beatles door in de USA. In 1965 braken ze een
bezoekersrecord. Liefst 55.000 mensen volgden het optreden van
de Fab Four uit Liverpool in het Shea Stadium in New York.
Hoewel er serieuze problemen waren met de geluidsversterking,
kan dit concert beschouwd worden als het startsein van massaal
bezochte popconcerten in stadions.
1965-1966: De techniek van 'Pet
Sounds'
Brian Wilson verricht baanbrekend studiowerk met de opnames van
het Beach Boys-album. Het wordt opgenomen op vier sporen - rond
deze tijd de standaard in bijna alle studio's - maar op acht
afgemixt. Bijzonder hierbij is dat hij de vier opgenomen sporen
overzette op één track en de rest gebruikte voor vocale overdubs.
Met name voor de single 'Good Vibrations' werd van alles uit de
kast gehaald. In een halfjaar tijd werden voor deze song in vier
verschillende studio's opnames gemaakt - bijzonder voor destijds
- waardoor er voor de single van 3'35 minuten 90 uur aan opnames
op tape beschikbaar was. Totale kosten: het destijds
astronomisch hoge bedrag van zo'n 50 duizend dollar.
1967-1969: Festivals keerpunt P.A.
De grote popfestivals in de periode 1967-1969 betekenen een
keerpunt in de ontwikkeling van grote P.A. systemen. Dat begint
in 1967 met de grote festivals in Monterey USA en Reading UK
(het latere Reading Festival, destijds nog Windsor Jazz & Blues
Festival genaamd). Bij dat laatste evenement wordt voor het
eerst het nieuwe 1000 watts P.A. systeem van WEM gebruikt, een
toer P.A. die is ontwikkeld door de Brit Charlie Watkins. In
1968 voegt Watkins aan zijn arsenaal de WEM Audiomaster toe, min
of meer de eerste externe P.A. mengtafel. Ook het Woodstock
Festival bij New York betekent met zijn 400.000 tot 600.000
bezoekers een nieuwe mijlpaal in de versterking van live-muziek,
waarbij Hanley Sound van Bill Hanley uit Boston verantwoordelijk
was voor de destijd ongekend uitgebreide P.A. installatie.
1968-1969: Stagemonitors en
studiosporen
Met de intrede van steeds krachtiger P.A. systemen, wordt het
voor de muziekmakers op het podium steeds lastiger zichzelf te
horen en bovendien krijgen ze te maken met het vertraagd
terughoren van het zaalgeluid, hetgeen hun podiumprestatie er
niet eenvoudiger op maakt. Charlie Watkins van WEM in Engeland
en Bill Hanley van Hanley Sound uit Boston (tijdens het
Woodstock festival) zijn de pioniers op het gebied van
toneelmonitors.
1968: 'Hey Jude' op acht sporen
De eerste achtsporen recorders worden in 1967 geïntroduceerd. De
eerste Amerikaanse studio met acht sporen was de studio van
Berry Gordy's Motown in Hitsville Detroit. De eerste Engelse
studio met acht sporen is Trident in Londen, in 1968 gevolgd
door vrijwel alle andere grote studio's. The Beatles verlaten
Abbey Road en nemen 'Hey Jude' op in Trident omdat ze willen
opnemen op acht sporen. Ook 'Space Oddity' van David Bowie wordt
met acht sporen opgenomen. Lang duurt het allemaal niet, want in
1969-1970 gaan de eerste studio's al over op zestien sporen.
1970: Electric Lady
Jimi Hendrix was de eerste belangrijke popster met een eigen
opnamestudio. In 1968 kocht hij de Village Barn in Greenwich
Village, New York, een zaak waar begin twintigste eeuw bigbands
optraden. Hendrix liet de Village Barn verbouwen tot de Electric
Lady Studio, die geopend werd op 27 augustus 1970 (en
tegenwoordig nog steeds bestaat). Na Hendrix bouwden steeds meer
popartiesten eigen studio's. In 1970 vinden in Japan de eerste
experimenten plaats waarbij niet langer analoog maar digitaal
wordt opgenomen. De Japanse firma Denon bouwt zijn eerste
digitale opname apparatuur.
1970-1974: Backline
Nu de zaal- en podiumversterking een feit is, komt er een nieuwe
term in gebruik voor de instrumentversterkers op het podium.
Deze wordt voortaan de backline genoemd. Een nieuwe standaard
wordt gezet bij een optreden van The Grateful Dead in het Cow
Palace in San Francisco in 1974. De band hanteert volledig
gescheiden versterking voor alle vocalen, alle (bas)gitaren, de
drums en de piano.
1973: Dark Side of the Moon
Popgroepen nemen steeds meer tijd voor het opnemen van een
album. Het album 'Dark Side of the Moon' van Pink Floyd is wat
dit betreft een exemplarisch en legendarisch voorbeeld. De
opnames onder leiding van producer Alan Parsons in Abbey Road
(dan 16 sporen), Londen nemen vele maanden in beslag.
1973: Eerste resident studio's
Steeds meer studio's op het platteland open hun deuren en de
eerste zogenaamde resident-studio's (met verblijfsaccomodatie)
komen opzetten. Een mooi voorbeeld is The Manor van Virgin
Records, waar Mike Oldfield zijn bestseller 'Tubular Bells'
opneemt. Intussen blijft het aantal sporen in de studio's
toenemen. In 1969 stapten voorlopers over naar zestien sporen,
in 1972 wordt 24-sporen steeds meer de standaard. 24 sporen
blijft (bij analoge studio's) lange tijd de standaard
uitrusting, hoewel al vrij snel apparatuur beschikbaar komt met
32 en zelfs 40 sporen. In 1973 is ook de eerste digitale
effectboks een feit. Het is de Delta-T, een digitale delay
effectprocessor.
1973-1980: Geluidsverhuurbedrijven
P.A. systemen ontwikkelen zich in hoog tempo en nemen steeds
grotere proporties aan. Ze worden hierdoor dus ook steeds
kostbaarder. Hoewel menig grote (en kleine) band nog beschikt
over zijn eigen P.A. ontstaan daarnaast in toenemende mate
geluidsverhuurbedrijven. Uit menig popgroep die in het bezit is
van een eigen P.A. ontstaat zo'n soort bedrijf. Uit de
verzelfstandiging van de P.A. van Pink Floyd komt een grote
firma voort, in eigen land zijn Focus (ontstaan uit de band
Focus) en Ampco (Alquin) aansprekende voorbeelden.
1978-1979: Alles wordt compacter
Weergave- en opnamesystemen worden steeds compacter. Een goed
voorbeeld is de Walkman van Sony die dit jaar op de markt wordt
gebracht, een draagbare cassetterecorder met kleine
hoofdtelefoontjes. 1979 is ook het jaar dat Tascam zijn eerste
zogenaamde Portastudio (type 144) ten doop houdt, relatief
goedkope (onder de 800 dollar) en draagbare semi-professionele
recorders. (Voor de professionele apparatuur zal Tascam zijn
naam later veranderen in Teac). Na de viersporige Portastudio
volgen merken als Fostex, Yamaha en anderen spoedig en neemt het
aantal sporen van goedkope recorders via acht snel toe tot
zestien.
1979: Bop 'Till You Drop
Het album 'Bop 'till You Drop' van Ry Cooder verschijnt en wordt
beschouwd als baanbrekend vanwege de wijze waarop de plaat is
opgenomen. De langspeler was in zijn geheel vastgelegd met een
digitale 32-sporen recorder van 3M en hiermee het eerste
volledig digitaal opgenomen album dat alom commercieel
verkrijgbaar was. 3M's digitale recordingavontuur duurde
overigens maar kort. 1979 was ook het jaar van de eerste
digitale mengtafel van geluidstechnicus Rupert Neve, die zou
uitgroeien tot een grootheid in de audiowereld.
1980: Crystal Gayle microfoon
Signature gitaren zijn een bekend fenomeen, maar signature
microfoons van een bekend merk en een bekende artiest een
zeldzaamheid. In 1980 maakt Electro-Voice de PL-80 in beperkte
oplage. Hij oogt vrijwel als een standaard microfoon, maar het
is een signature ter ere van countryzangeres Crystal Gayle.
1980-1982: Samplers en sequencers
De eerste (digitale) samplers en sequencers komen op de markt,
apparatuur waarmee sterke hooks, muziekflarden en notenreeksen
kunnen worden herhaald en vervolgens opgenomen. Als baanbrekend
geldt in dit opzicht de Fairlight CMI sequencer.
1984: Digiphon van EMT
In Duitsland komt de firma EMT met The Digiphon, een apparaat
dat de gebruiker in staat stelt zijn audio-opnames vast te
leggen op computerdiskettes.
1985: Eerste digi studio
De CTS Studio in Londen geldt als de eerste professionele studio
die volledig digitaal functioneert, hetgeen dus wil zeggen dat
zowel sprake is van een digitale mengtafel als van een digitale
recorder.
Medio 1990's: Eén miljoen watt
P.A. systemen blijven maar uitdijen. Hoewel de digitale
technologie ervoor zorgt dat ze in omvang afnemen en lichter van
gewicht worden, blijft het vermogen zich verder ontwikkelen. Bij
grote popconcerten en festivals is een totaal vermogen van een
miljoen watt rond het midden van de 1990's geen uitzondering
meer.
2003: Bose komt met personal P.A.
Bose komt met een nieuwe kijk op geluidsversterking op het
podium. Het komt er in het kort op neer dat elke muzikant op het
podium zijn eigen monitor annex P.A. heeft. Dit betekent in de
praktijk dat de muzikant precies hetzelfde hoort als het geluid
dat het publiek te horen krijgt.

Bron: Popmuzikant.nl
|