Muziekstijlen ABC
Back Home
Reggae

Reggae






Bekendste en meest succesvolle spruit van de rijke muziekcultuur van het Caribische eiland Jamaica.
Deze voormalige Britse kolonie grossiert in muziekstromingen .
Mento, Blues-boogie, Ska, Rocksteady, Reggae en
Ragga(muffin) stammen allemaal van dit slechts 225 bij 75 kilometer metende eiland.
Jamaica is een smeltkroes van culturen. De ruim drie miljoen inwoners stammen vooral af van de vanaf 1600 uit
West-Afrika geimporteerde slaven, die op de Spaanse en later Engelse plantages moesten werken.
Slaven die weten te ontsnappen (
De Maroons) richten nederzettingen op in de ontoegankelijke heuvels van Cockpit
Country
. Daar ontwikkelen zich Afro-Caribische ritmes als Buru-drummen, Kumina en Pocomania.
De volksmuziek die zich in de 20e eeuw ontwikkeld,
Mento genaamd, is een mengelmoes van Afrikaanse ritmes,
bakerrijmpjes en Britse populaire muziek.
Ook is er een aantal Jamaicaanse swingbands actief, waarvan die van
Eric Dean de bekendste is.
Deze jazzmuzikanten spelen in de jaren zestig een grote rol bij de start van de Jamaicaanse muziekindustrie.
Terwijl de Jamaicaanse upperclass en toeristen in de hotels aan de Noordkust genieten van Calypso- en Steelbandmuziek, geeft de
doorsnee Jamaicaan (arm, jong en zwart) vanaf '52 de voorkeur aan Amerikaanse obscure blues- en jump-boogies van
Louis Jordan en
Amos Milburn, scheurende sax-instrumentals van Willis Jackson en de rauwe rhythm & Blues van Lloyd Price, Fats Domino en andere
coryfee'n uit New Orleans, die ze via radiostations uit het Zuiden van de V.S. oppikken.
Deze plaatjes worden gedraaid door de zogenaamde
soundsystems, op grote open trucks opgestelde primitieve mobiele
geluidsinstallaties.
Tom The Great Sebastian en Kelly's zijn begin jaren vijftig de eersten die dit soort plaatjes draaien.
Show hoort erbij, dus al gauw trekken de operators groteske outfits aan en schermen ze met namen als
Duke Reid The Trojans,
(vanwege zijn bedford Trojan),
Sir Coxsone Dodd, Prince Buster en King Edwards.
De concurrentie tussen de verschillende soundsystems is moordend, reden waarom de titels van de nieuwste aanwinsten worden
afgeplakt. De deejays gaan zelfs in de Verenigde Staten op zoek naar geschikt, ruig (Rhythm &) Blues-materiaal.
Coxsone Dodd hoort daar het slang van de Amerikaanse radiojocks en moedigt een van zijn deejays, Count Matchuki, aan deze
ophitsende jivetalk ook te gebruiken.
Als rond '58 R&B voor een groot deel zijn rauwheid verliest, gaan de eigenaren van de soundsystems zelf plaatjes opnemen.
Eerst op een spoor in de studio van het radiostation
RJR, later in de tweesporen Federal-Recording-studio van Ken Khouri. Laurel
Aitken's
Nightfall, oorspronkelijk een Calypsosong, is de eerste Jamaicaanse plaatopname.
Aanvankelijk proberen de zangers en vocale groepjes hun Amerikaanse inspiratiebronnen (
The Drifters, The Impressions, Sam Cooke)
zo nauwgezet mogelijk te imiteren.

De Jaren Zestig
Het verlengde ritmische accent dat kenmerkend is voor de Ska is voor het eerst te horen op Muriel van Alton (Ellis) & Eddie ( een
produktie van
Dodd uit '59), Alleluia van de Mellow Larks (beiden begeleid door Clue J & His Blasters) en Easy Snapping van pianist
Theophilus Beckford.
De impact van deze lokale producties is enorm: tussen '59 en '65 heeft de Ska Jamaica volledig in haar ban.
In '60 start de latere politicus
Eddie Seaga (als leider van de JLP in de jaren tachtig zelfs president van het land) de West Indies
Recording Sound Studio
. De produkties uit zijn studio, zoals die van Byron Lee, komen uit op het WIRL-label.
Als in augustus '62 Jamaica onafhankelijk wordt, krijgt
Seage de post van minister van Ontwikkeling en Sociale zaken.
Hij vindt een goede nationale muziekcultuur belangrijk en moedigt aan de Ska naar de rest van de wereld te exporteren.
In '64 treden
Byron Lee & The Dragonaires en Jimmy Cliff op tijdens de wereldtentoonstelling in New York.
Seage's politiek werpt zijn vruchten af. Millie Small scoort met My Boy Lollipop de eerste internationale hitvoor Chris Blackwell's Island
Records
en opent zo deuren voor andere Jamaicaanse hits-artiesten (Skatalites, Desmond Dekker).
Coxsone Dodd's Studio One, gebouwd in '63, is een kweekplaats van veel jong aanstormend vocaal en muzikaal talent.
Op Ska overgeschakelde jazzblazers als
Tommy McCook, Don Drummond, Baba Brooks en Roland Alphonso krijgen grote bekendheid.
Hoopvol stromen van het hele eiland de tieners toe om auditie te komen doen bij producers
Coxsone Dodd, Leslie Kong, Ken Khouri en
Prince Buster.
Zingen hebben ze geleerd met gospels in een protestants baptisten- of methodistenkerkkoor.
Sommigen gaan nog naar school, anderen scharrelen wat rond, proberen een vak te leren of zijn ambitieuze
Rude Boys, schoffies uit de
sloppen. Zingen is de ontsnappingskans uit de uitzichtloze situatie, waarin de bevolking in de getto's van
West-Kingston zich bevindt.
Naast de gospels die de jamaicaanse natuurtalenten hebben geleerd in bovengenoemde koren, zijn de belangrijkste inspiratiebronnen:
Jumpblues, Rhythm & Blues, Soul en in de jaren tachtig en negentig tal van suksesvolle swingbeatzangers en de op Afrika georienteerde
Pocomania voodoo-godsdienst.
De generatie vocalisten en muzikanten die vanaf de tweede helft van de jaren zestig tot de vroege jaren tachtig gezichtsbepalend zijn
voor de
Reggae beginnen allemaal bij Leslie Kong (Jimmy Cliff, Desmond Dekker) of bij Dodd's Studio One: Ken Boothe, Dennis Brown,
John Holt, Johhny Osbourne, Alton Ellis, Slim Smith, Freddie Mc Gregor, Freddy McKay, Delroy Wilson, Burning Spear, Bob Andy, Horace
Andy, Ernest Wilson, Peter Tosh, Frankie Paul, Marcia Griffiths, Rita marley, Bob Marley, Bunny Wailer en Sugar Minott
.
Veel van deze zangers komen uit of vormen groepen:
Wailers, Maytals, Heptones, Clarendonians, Paragons, Meditaions, Gladiators,
Ethiopians, Abyssinians, Congo's, Wailing Souis, Culture, Black Uhuru, Mystic Revealres, Mighty Diamonds.
Ook de Wailers debuteren bij Dodd, die met zijn huisorkest The Skatalites, engineers Syd Bucknor en Sylvian Morris en manusje van
alles/talentspotter en technicus
Lee 'Scratch' Perry nog meer troeven in handen heeft.
Dodd's sessiemuzikanten, van wie organist annex arrangeur en componist Jackie Mittoo en producer Leroy Sibbles belangrijke rollen
vervullen, zijn ook aktief onder de namen
Sound Dimension, Soul Vendors, Soul Brothers en Soul Defenders.
In '66/'67 verandert
Ska in een langzamere, soulvolle, toch heavy muziekstyl: Rocksteady.
Het accent verschuift van de zang naar de drums, toetsen en bas en er verschijnen veel jamaicaanse versies van Amerikaanse soulhits.
Naast
Dodd staat een nieuwe succesvolle producer op: Duke Reid. Met de zoetgevooisde rocksteady van Paragons, Techniques en
Jamaicans
is zijn studio succesvoller dan die van zijn rivaal Dodd.
De rudeboy film
The Harder They Come uit '72 legt Jamaica;s heftige muziekcultuur in de jaren zestig, waarin de willekeur van de
producers domineert, vast op het celluloid.
Een nieuwe ontwikkeling aan het eind van de jaren zestig is de
Deejay die zelf platen maakt.
Al vanaf het begin van de soundsystems brallen de jocks over de intro's heen. Om ze de gelegenheid te bieden hun vocale capaciteiten
te tonen (te
Toasten) worden er speciale, instrumentale versies (versions) gemaakt.
U Roy is rond '68/'69 de eerste die zelf platen maakt. Mix-technicus en electronica-expert King Tubby haalt hem door de geluidsmangel.

De Jaren Zeventig
Al snel ontwikkelen zich hieruit twee unieke fenomenen: DJ- en 'Dub'- muziek, die in de jaren zeventig hun creatieve hoogtepunt
beleven:
U Roy, King Stitt, Prince Jazzbo, Dr Alimantado, Dillinger, Trinity en Ranking Joe, I Roy, Big Youth, Dennis Alcapone en Tagger
Zukie
zijn populaire toasters, die in zekere zin voorlopers zijn van de Amerikaanse rappers en het Ragamuffin-tijdperk zijn.
Uit
Rocksteady ontwikkelt zich een snellere stijl: 'Reggae'. daarin domineert de hakkende slaggitaar: nieuwe producers als Leslie Kong,
Bunny Lee, Derek Harriott, Lloyd Daley Harry J, Clancy Eccles, Lee Perry, Alvin Ranglin, Niney the Observer, Herman Chin Loy, Leonard
Chin, Keith Hudson
en Joe Gibbs zoeken naar een eigen sound.
Opkomende (roots)zangers zijn rond '70
Junior Murvin, Gregory Isaacs, Max Romeo, Junior Byles en Beres Hammond komen op.
In Engeland is het
Trojan-label de grote winnaar.
Britse Skinheads zijn dol op haar snelle Reggae. De aparte orgel-western-instrumentals
Return Of Django en For A Few Dollars More van
Perry's studioband
Upsetters en Dave & Ansel Collins' Double Barrel, worden grote hits.
In de periode '71 tot'75 staat de rootsreggae (
Skank) sterk onder invloed van ritmes uit de rituelen van de Rastabeweging, waarin de
terugkeer naar Afrika (
Zion), de verering van de zwarte keizer Haile Selassie 'Jah' Rastafari Makonnen van Ethiopie, het Natty
Dreadlocks
-kapsel en het roken van ganja als meditatiemiddel centraal staan.
Het tempo wordt teruggeschroefd, de baslijn zwaarder en de teksten politieker en meer sociaal bewust. Echo, Galm en
Phasing maken
de dubs veel psychedelischer.
Augusto Pablo maakt bij Randy's en Leonard Chin met zijn Melodica zijn eerste opnamen.
Producers als
Lee Perry en vooral Bunny Lee maken grif gebruik van de mix-talenten van dubmaster King Tubby.
Dankzij het succes van
Bob Marley And The Wailers breekt in de jaren zeventig Reggae door naar een groter publiek en krijgt Jamaica
een eigen plek op de muzikale landkaart.
Onder invloed van de
Philly Soul (zie ook Soul), de verbeterde opnamefaciliteiten en de ritmische experimenten van drummer Sly
Dunbar
en bassist Robbie Shakespeare transformeert Reggae.
Studiomuzikanten die luisteren naar namen als
Aggrovators, Upsetters, Hippy Boys, Professionals ontwikkelen zich tot Rockers en later
Steppers en maken betrekkelijk rauwe, ongepolijste platen.
De producties van
Joe Gibbs beleven tijdens de punkperiode hun hoogtepunt, zowel artistiek met Culture, Prince Far I en Dennis Brown,
als commercieel met
Althea & Donna's Uptown Top Ranking.
Ook
Tapper Zukie's minimale producties genieten veel aanzien. De komst van de Channel One Studio waar de Revolutionairies (ook met
Sly en Robbie) de toon zetten, brengt 1 weer een stap verder.
Geniale (dub)mixers als
Soljie, Scientist en Prince Jammy, pupillen van King Tubby, gebruiken zangers als Yabby You, Hugh Mundell en
Horace Andy om met hun mengpaneel als dub-instrument door geluidsmanipulatie van stemmen en ritmes (dub)-Reggae steeds
psychedelischer in te kleuren.

De Jaren Tachtig
Tussen '80 en '85 breekt het fenomeen live-dancehall door.
Aangespoord door het succes van de tweede generatie deejays als
Tapper Zukie, Josey Wales, Michigan & Smiley, Lone Ranger en Clint
Eastwood
komt er vanaf '80 een nieuwe lading jong talent uit de sloppen.
Brigadeer Jerry, Charlie Chaplin, General Echo, Yellowman en Eek-A-Mouse zijn de meest oorspronkelijke nieuwkomers.
Kale ritmes en scabreuze '
Slackness'- teksten overheersen, terwijl de muziek wordt geproduceerd door Junjo Lawes en gespeeld door
de
Roots Radics.
Deze begeleiden ook de dancehall-zangers als
Sugar Minott, Frankie Paul, Barrington Levy en Michael Prophet.
Halfpint en Ini Kamoze debuteren bij Sly & Robbie's toonaangevende Taxilabel.
Brigadeer Jerry en dubdichters als Mutabaruka, Oko Onoura en Linton Kwesi Johnson in maken in Engeland indruk met militante teksten.
Vanaf '86 domineert de
Raggamuffin.
In '86 breekt de
Fast Rap van de Engelse MC's (Toasters) als Philip Levi en Smiley Culture en de NewYorkse deejay Shinehead door.
Deze laatste ontplooit zich tot allround singjay.
Gussie Clarke domineert het jaar '88 met zijn koele digitale Musicworks sound en het
Rumours-ritme.
Bobby Digital, Donovan Germain en Tony Kelly van de studio's Penthouse en Madhouse, Philp 'Fatis' Burrell van Exterminator en de
lieden van
Music Lab zijn de toonaangevende producers.

De Jaren Negentig
Met de sampler en de rumcomputer als nieuwste speeltjes beleeft de Jamaicaanse muziekindustrie in de jaren negentig een
heropleving.
Firehousecrew, Danny Browne en Dave Kelly zijn naast Sly Dunbar de belangrijkste riddim-programmeurs.
Deejays raken populairder dan ooit met hun raps op raggariddims.
Zangers en zangeressen werken in de jaren '90 vaak in samenwerking met deejays.
Ninjaman maakt met Tinga Stewart de eerste Combination Style, een variant op de Versions die de rocksteadyzangers en de toasters
met elkaar maakten.
Shabba Ranks heeft met Home T en Coccoa Tea de eerste internationale hit met Who She Love.
Zangeressen als
J.C. Lodge (Hardcore Loving), Nadine Sutherland, Deborahe Glasgow (Mr. Loverman) en Chevelle Franklin zijn de idaal
kirrende sparringpartners voor de ruige stemmen van deejays als
Shabba, Buju Banton, Cutty Ranks en Bounty Killer.
Zanger
Beres Hammond is zowel solo als in combi zeer suksesvol. Voor veel nieuwe zangers biedt terugkeer naar de rastaroots een
herontdekte bron van inspiratie. Aangevoerd door
singjay Tony Rebel steken Conroy Smith, Yami Bolo, Wayne Wonder, Everton Blender,
Garnett Silk, Jack Radics, Mikey Spice
en Luciano dat niet onder stoelen of banken.
De formidabele stem van
Silk, die met zijn bewuste, culturele teksten, de nieuwe rootsbeweging volop leven inblaast verstomt helaas
veel te vroeg. Zijn dood in december '94 berooft
Reggae van haar meestbelovende nieuwe rootszanger.
Mad Cobra, Capleton, Spragga Benz, Mega Banton, Red Dragon, Top Cat, Silvercat, Merciless, Terror Fabulous, Jipsy King, Simpleton en
G
eneral T.K. zijn in de eerste helft van de jaren negentig flink aan de weg timmerende jonge deejays.
Na drie decennia lang orienteren op Engeland richt de aandacht zich in de jaren negentig vooral op de Hip Hop-hoofdstad New York.
Daar gemaakte remixen van Reggae en Raggaplaten halen hoge verkoopcijfers.
De belangrijkste remixers zijn
Davis Morales, Salaam Remi, Kenny Dope en Bobby Konders.
Nog altijd worden op Jamaica nieuwe dansen ontwikkeld:
Waterpumpee, Della Move, Butterfly, Armstrong en Santa Barbara. In '91 en
'92 overheersen de opnieuw gespeelde rocksteadyritmes van
Bob Andy, John Holt en Larry Marshall, General Levy en Apache Indian.
Inner Circle scoort, dertien jaar na Music Machine en Mary Mary, in '92 opnieuw met Sweat.
Ook
Pato Banton (Bay Come Back) en Bitty McLean (It Keeps Raining) beklimmen de internationale hitladders, hoewel hun vorm van
Reggae wel erg verwaterd klinkt. Vanaf '93 domineert een nieuwe dans: de
Bogle.
Internationale
Ragga-hits voor Shabba Ranks, Shaggy en Chaka Demus & Pliers leiden tot hernieuwde wereldwijde belangstelling voor
Jamaicaans talent:
Mad Lion. Louis Rankin (Typewriter), Mickey Spice (Practice What You Preach), Ini Kamoze (Here Comes The
Hotstepper)
zijn ook buiten Jamaica grote hits.
In het midden van de jaren negentig zijn er sublieme albums van
Luciano, Buju Banton, Bers Hammond, Prezident Brown, Horace Andy,
Jahpostles
(de begeleidingsgroep van Garnett Silk) en de in de stijl van Luciano zingende Bushman (een ontdekking van Steel en
Clevie
). De oudgedienden Sly & Robbie, Ska-gitarist Ernest Ranglin en de Skatalites komen eveneens met overtuigende platen, die
verschijnen op
Island-Jamaica.
De grote hits zijn
Beenieman (Yaw Yaw), Bounty Killer (Living Dangerously), Beres Hammond (Over You), Mikey Spice en Merciless.
Crews zijn in opmars, met als belangrijkste vertegenwoordigers Bounty Killer's Scare Dem Crew en de Monster Rock Crew van Aidan
Jones
. De belangrijkste productieteams zijn de Firehousecrew, Sly Dunbar en consorten, Mafia & Fluxy, Danny Browne en Dave & Tony
Kelly
. De nieuwe ritmes (hitritmes) heten Dengi Fever, Arab, Pepperseed, Frog, MPLA en Corduroy.
De 'hotte; studio is Roof International (Mickey Spice, Prezident Brown, Supermorris).
Toplabels zijn
Fat Eyes, Exterminator en Startrail.
Met name op
Exterminator verschijnen veel nieuwe albums waaruit een 'cultureel' besef spreekt. Deze hernieuwde belangstelling voor
de 'roots'spreekt uit het werk van nieuwelingen als deejay
Sizzla, zanger Mikey General, singjay Anthony B, deejay Daddy Rings, Tony
Rebel, DeterminE
en Jah Mali. De one-riddims albums Heathen en Drum Song, gemixed door Jamaicaa's beste radiodeejay Mighty Mike
en geproduceerd door de Xrated Posse, introduceren de nieuwe rootstalenten Daweh Congo en Morgan Heritage.
Bij de soundsystems zijn
Kilimanjaro en Stonelove de onbetwiste toppers en zijn Travelers, Bass Odyssey en Renaissance de talentvolle
nieuwkomers.
Internationaal breken
Beenieman en Bounty Killer door, terwijl Horace Andy via Massive Attack de aandacht op zich weet te vestigen.
Lee Perry beleeft dankzij overtuigende concerten een opmerkelijke comeback.
Sanchez heeft een hit met zijn versie van R.Kelly's I Believe I Can Fly en zet zo de veertigjarige traditie van het coveren van
Amerikaanse R&B songs voort.

Reggae Internationaal
Reggae blijkt ook buiten Jamaica wortel te schieten, in eerste instantie in Engeland.
Dankzij de inspanningen van
Chris Blackwell van Island Records halen in de jaren zestig diverse jamaicaanse platen de Engelse
hitparade. Dit leidt daar al snel tot navolging.
The Beatles doen in '68 een voorzichtige poging met
Obladi Oblada, serieuzer zijn de daaropvolgende inspannningen van The Cimarons,
Matumbi
(met producer Dennis Bovell in de gelederen), Aswad, Delroy Washington, Merger en Steel Pulse.
Eind jaren zeventig worden zij gevolgd door
Aswad.
De punkgeneratie blijkt een verwantschap met Reggae en haar vertakkingen te voelen.
Dit leidt tot een herwaardering van met name het snelle
2-tone Skageluid.
In de jaren tachtig zijn er hitsuccessen voor
Smiley Culture,S Philip Levi, Tipper Irie (Hello Darling), Spohia George (Girlie Girlie), Boris
Gardiner
(I Want To Wake Up With You), Macka BB, Audrey Hall, Pam Hall, Judy Boucher, Nerious Joseph en Maxi Priest.
Eind jaren tachtig tekent zich wederom een skarevival af met
Longsy D en de Beatmasters.
Ook in Engelsae reggae zijn de invloeden van
House en Hip Hop duidelijk hoorbaar, zoals bij Rebel MC, Michie Lou (Shout), General Levi,
Alpha & Omega, Mixman Bedeaux en Jah Shaka.
De zoete loversrock van
Gary Clail (I Wanna Sex With You) gaat als warme broodjes over de toonbank.
In Nederland maakt een optreden van
Bob Marley in '75 veel indruk.
De eerste Nederlandse Reggaebands komen vooral uit Rotterdam en Amsterdam:
Inity, Revelation Time, Sister Spliff en Easy zijn de
eersten die in het clubcircuit naam maken.
'Captain Dread' Ruud Gullit draagt in de tweede helft van de jaren tachtig bij aan de
populairiteit van de reggae door samen met
Revelation Time Not The Dancing Kid en South Africa de hItparade in te zingen.
Succes is er dan ook voor
Johnny Baby & The Liberators (Running Round In Circles) en de winnaars van de Grote Prijs van Nederland,
Super & The Allstars. In de jaren negentig zijn The Vibe uit Leiden, Sundance Kid uit Haarlem en Dinghri, Rockers Delight en Roots
Intention
uit Amsterdam actief.
Hitsucces op grote schaal is er voor
Roots Syndicate met hun (reclame) versie van Migil Five's Mockingbird Hill.
De Raggamuffinsound is vanaf '92 te horen, vooral in Amsterdam waar de
Spots Road Show met de deejays Daddy Dan, Roots & Culture,
Shashamane Sound
en het Friese Jah Sound actief is. Ook overal elders in de wereld vindt reggae navolging.
Belangrijkste namen zijn
Alpha Blondy (Ivoorkust), Lucky Dube (Zuid Afrika), Daddy Yod (Frankrijk), Majek Fashek (Nigeria) en
Ganglords (Zwitserland). Panache Culture (Belgie) zorgt met haar mix van Arabische en Reggaeinvloeden voor een verrassend geluid.
Bovendien begeleidt de band
Prezident Brown bij diens Nederlandse concerten.

Dub
Een van de interessantste bijdragen van de Jamaicanen aan de hedendaagse popmuziek is Dub.
Hierbij staan bas- drums- en percussiegeluiden op de voorgrond en worden spaarzaam andere instrumenten, voorzien van echo en
galm, toegevoegd. Dit geeft een nogal spacey, psychedelisch effect.
Dubeffecten zijn bij uitstek geschikt voor deejays en toasters die iets aan de muziek willen toevoegen en worden met name ook gebruikt
in de House en Drums'n'base.
Pionier van de Dub is de Jamaicaanse geluidstovenaar
King Tubby, die vanaf het eind van de jaren zestig instrumentale tracks van
bestaande platen met effectapparatuur vervormt en verandert.
Ook
Lee 'Scratch' Perry bekwaamt zich hierin.
Augustus Pablo combineert dubeffecten met orientaalse toonladders op zijn melodica en creeert daarmee zijn Far East Sound.
Andere bekendse dubmixers zijn
King Jammy, Scientist en Paul 'Groucho' Smykle.
In Engeland zijn
The Mad Professor, Adrain Sherwood en Jah Shaka actief.
Op 6 februari '89 wordt in het onvoorspelbare Waterhouse-district in Kingston
King Tubby doodgeschoten.
Met hem sterft Dub echter niet uit.
Bobby Digital en zijn Mixers Peego en Peter Chemist, Steelie & Clevie en de Penthouse Crew (Dave
Kelly, Anthony Kelly en Soljie
) combineren de dub met nieuwe ontwikkelingen in de Reggae en Raggamuffin .
Nieuwe namen aan het firnament zijn
2BadCard en Dubsyndicate.
Klassieke dub-platen uit de jaren zeventig zijn lange tijd moeilijk verkrijgbaar geweest, maar dankzij de releases op de labels
Blood &
Fire
en Pressure Sounds zijn de belangrijkste titels inmiddels weer beschikbaar.

Reggaelinks

http://www.panic.nl/index-ned.htm

http://www.irielion.com/irie/

http://hem.passagen.se/selahis/