|
|
|
De jaren Vijftig Rock & roll als genre ontstaat midden jaren vijftig en omvat diverse stijlen die zich geografisch gespreid, ongeveer gelijktijdig en zelfstandig ontwikkelen. Deze zijn in zeer uiteenlopende mate door zwarte rhythm & Blues en/of blanke country & western beinvloed. In de Verenigde Staten, de bakermat van de Rock & Roll, is de term daarnaast in gebruik als equivalent van ons begrip popmuziek. Het benadrukt het bijzondere belang van het genre, dat een radicale breuk laat zien met de populaire muziek tot dan toe, waarin orkesten en crooners de toon aangeven. De rauwere, wilde dansritmes, ontleend aan de rhythm & Blues, zijn nieuw voor het grote balnke publiek. Bovendien doen met de rock & roll jongeren voor het eerst, en naar snel blijkt voorgoed, hun intrede als zelfstandig publiek en als invloedrijke factor voor de hitlijsten. Opmerkelijk genoeg ontbreekt overeenstemming over wanneer het genre nu precies begint. De woorden 'rock' en 'roll' zijn reeds samen te vinden in de jaren twintig-bluessongs, dan nog uitsluitend als aanduidingen voor het bedrijven van de liefde. |
|
De betekenis is inmiddels uitgebreid als eind '34
Rock And Roll
de titels is van een filmsong, gezongen door de Boswell Sisters. De term kan dan ook een manier van dansen beduiden. De knipoog naar sensuelere ritmes is overduidelijk als de kreet, ook in varianten als 'rock'of 'rockin', na de oorlog opduikt in vele, meest zwarte songs, zoals Roy Brown's Good Rockin' Tonight uit '48. De blanke radio-DJ Alan Freed, die vanuit '51 in Cleveland, Ohio een r&b show heeft voor een groeiend gemengd publiek, is een van de eersten die rock & roll hanteert als minder radicaal beladen eufemisme voor de door hem gedraaide zwarte muziek van de shouters (zie ook blues) en vocal groups. Begin jaren vijftig is de term dus een synoniem voor r&b. Tegelijkertijd krijgt rock & roll op diverse plaatsen geleidelijk vorm als zelfstandig genre, nog voor platen onder die noemer in '55 en '56 via de hitparades het grote publiek bereiken. Zo begint Bill Haley, een blanke zanger uit Pennsylvania, vanaf '51 r&b-covers op te nemen, die hij mengt met zijn western swing-stijl. Onder andere Jimmy Prestons Rock The Joint uit '49, in '52 (!) door Bill Haley & (dan nog) The Saddlemen bewerkt tot de blauwdruk, inclusief gitaarsolo, van Rock Around The Clock. Zijn entree in de popcharts, het zelfgeschreven Crazy Man Crazy ('53), geldt als eerste blanke rock & roll-hit. Daarna verruilt hij het kleine essex-label in Philidelphia voor Decca, waar een eerste single flopt. Shake, Rattle And Roll, in '54 een r&b hit voor shouter Joe Turner, scoort beter. Hollywood ontdekt inmiddels dat met de groeiende welvaart van na de oorlog vooral de blanke jeugd een interessante nieuwe markt wordt en sluit op de tiener-wereld aan met de films The Wild One ('54) en Rebel Without A Cause ('55). Blackboard Jungle, dat jaar de eerste rolprent met rockmuziek, maakt het geflopte Decca-debuut van Bill Haley & His Comets alsnog succesvol: Rock Around The Clock is in '55 de eerste rock & roll-wereldhit. Haley's rol als prominente rocker echter al snel uitgespeeld. Nog datzelfde jaar leveren de twee in New Orleans opnemende latere groten hun eerste pophit af. Fats Domino's gemoedelijke hit Ain't It A Shame en Little Richards wilde Tutti Frutti vormen binnen de zwarte rock & roll twee uitersten. Toch zijn beiden typische exponenten van de New Orleans-sound, te herkennen aan het syncopische 'second-line' ritme. Het ontstaan van deze backbeat ligt bij de beroemde begrafenisoptochten en de parades van Mardi Gras, het hoogtepunt van het lokale carnaval, waar sinds lange tijd de musici ritmisch tegenspel krijgen doordat vanuit de stoet volgers (de tweede lijn) de syncope (zwakke maat) wordt benadrukt. Zeker in new Orleans is de grens met r&b niet duidelijk te trekken. Zanger en pianist Professor Longhair alias Roy 'Baldhead' Byrd is in '49 een invloedrijke voorbode met Mardi Gras In New Orleans. Fats Domino's debuut The Fat Man ('50), een dikke r&b-hit die talentjagers op New Orleans attent maakt, mag op zijn minst rock & roll avant-lalettre heten. Zo ook Lawdy Miss Clawdy ('52) van Lloyd Price, met wie het in Hollywood gevestigde Specialty de succesvolste Domino-navolger binnenhaalt. Aan beider songs werken Cosimo Matassa en Dave Bartholomew's Band mee. Matassa is baas en engineer van de J&M-studio's, waar bijna alle New orleans-hits worden opgenomen. Veelal met het huisorkest, dat in de jaren vijftig topmuzikanten als Earl Palmer en na hem Charles 'Hungry' Williams (drums), Frank Fields (bas), Lee Allen (tenorsax) en Alvin 'Red' Tyler (baritonsax) telt. Bandleider Bartholomew (trompet), co-auteur van vele Domino-hits, staat als arrangeur en producer tal van anderen bij. Zijn werk onder eigen naam is minstens zo fraai. Nog voor Lloyd Price vanaf '57 bij ABC een comeback maakt, met gepolijster hits als Stagger Lee en Personality, heeft Specialty een opvolger. Al komt Little Richard uit Georgia, zijn hits klinken naar New Orleans. Hij neemt de meeste dan ook op in J&M, met de studioband. Zijn stijl wordt later door labelgenoot Larry Williams geimiteerd. Hij is in New orleans geboren, doch groeit op aan de westkust en maakt daar vanaf '57 onder meer Short Fat Fannie, Bony Moronie, Dizzy Miss Lizzy en Slow Down. De labels Imperial en Aladdin (uit Los Angeles), Chess (Chicago) en Ace (Jackson, Mississippi) ontdekken meer talent in new Orleans. Imperial heeft naast Domino en Smiley Lewis. Diens zware stem reikt met Blue Monday, I Hear you Knocking en One Night tussen '54 en '56 slechts tot de r&b-lijsten. Pas in de versies van resp. Fats Domino, Gale Storm en Elvis Presley worden het weldra grote pop-hits. Aladins duo Shirley & Lee maakt zelf Let The Good Times Roll ('56) bekend. Chess brengt Jock-A-Mo ('53) uit van James Crawford alias Sugar Boy, Bobby Charles' origineel van de Bill Haley-hit See You Later Alligator ('54) en van Clarence 'Frogman' Henry, onder andere Ain't Got No Home ('56). Ace komt met Huey 'Piano' Smith & His Clowns, die in '57 en '58 aanstekelijke nummers als Rockin' Pneumonia And The Boogie Woogie Flu en Don't You Just Know It afleveren. New Orleans blijkt ook na de rock & roll van invloed. Onlosmakelijk verbonden met het rock & roll-tijdperk zijn de talloze (meest zwarte) vocalgroups. Met name tussen '55 en '59 floreert het genre dat, overigens pas na die tijd, Doo-Wop wordt genoemd. De naam is een vrij willekeurige keuze uit de nonsens kreten waarmee de groepsleden de leadzang plegen te ondersteunen. Dat is eind jaren veertig nog niet het geval bij voorlopers als The Ravens en The Orioles, beiden uit New York. Evenmin bij de vocal groups die vervolgens afwijken van de tot dan populaire zoete ballads en rauwe, emotionele zang introduceren. Die aan gospel verwante stijl begint bij Billy Ward's Dominoes en Do Something For Me ('50) met leadzang van Clyde McPhatter. navolgers zijn onder meer The Clovers en McPhatter's nieuwe groep The Drifters, allebei op het Newyorkse Atlantic-label, en Hank Ballard's Midnighters, die net als The Dominoes bij Federal in Cincinatti opnemen. Buiten de eenmalige oversteek van The Dominoes naar de popcharts met het a-typische Sixty Minute Man ('51), voor sommigen de eerste rock & roll-hit ooit, slaat de rauwe stijl enkel aan bij het r&b publiek. Duidelijk met het oog op de blanke markt gemaakte platen leiden in '54 wel tot flinke pophits. Eerst Gee van The Crows op Rama en Sh-Boom van The Chords op Cat, beide uit New York, en later dat jaar komt in Los Angeles Earth Angel van The Penguins op Dootone uit. In het spoor van deze successen ontstaat een hausse aan doowopgroepen: schattingen varieren van 1500 tot het tienvoudige. Slechts enkelen zijn blijvertjes. In de popcharts vooral The Platters met tamelijk gladde hits op Mercury als The Great Pretender ('55) en Smoke Gets In Your Eyes ('58) en The Coasters, wier werk de tand des tijds beter doorstaat. Het r&b-publiek blijft jarenlang trouw aan Five Keys, Flamingos, Moonglows, Spaniels en Charms. Van de overigen wordt, als ze al een hit scoren, daarna nog zelden iets vernomen. De concurrentie is moordend, in New York het meest. Beroemde eendagsvliegen aldaar: The Nutmegs (Story Untold), The Turbans (When You Dance) en The Cadillacs (Speedo). Frankie Lymon & The Teenagers laten op Why Do Fools Fall In Love ('56; Frankie is dan 13 jaar) meer fraais volgen als I'm Not A Juvenile Delinquent. Ook The Chantels met Maybe ('58) als eerste damesgroep van belang, komen uit New York. Terwijl daar een beschaafder type groep domineert, klinkt in Los Angeles, de tweede doo wop-stad, vaak de invloed door van B.B. King en andere groten uit de blues die er in die tijd opnemen. De bekendste L.A.-groepen na The Pemguins zijn The Five Keys, sleutelfiguren in de lokale scene (op Aladdin-dochter Lamp) en The Cadets, The Jacks en The Flairs (allen via Modern/RPM/Flair te horen). Chicago is belangrijk als bluescentrum in de jaren vijftig, dankzij labels als Vee-Jay en Chess. Ze brengen ook doo-wop uit. Vee-Jay heeft The Spaniels vanaf '54 frequent in de r&b-lijsten en The Dorados met At My Front Door ('55). Chess doet het met The Moonglows met Sincerely ('55) en The Monotones' Book Of Love ('58). Chicago mag dan in de jaren vijftig bij uitstek een bluesstad zijn, toch komen er twee zwarte gitaristen vandaan die tot de groten van de rock & roll behoren. Hun achtergrond verloochenen ze niet, maar uit de blues ontwikkelen beiden op verschillende wijze een eigen, invloedrijke stijl. Zowel Chuck Berry als Bo Diddley debuteert in '55 bij Chess. Daar verschijnt ook, voorjaar '51, Jackie Brenston's Rocket 88, door onder andere Sam Phillips het ware vertrekpunt van de rock & roll genoemd. Hoewel in Chicago uitgebracht is de plaat opgenomen in de Memphis Recording Service van Phillips. Hij start in '52 zijn eigen Sun-label, waarop r&b (o.a. Mystery Train ('53) van Little Junior Parker) en country van onder andere Johhny Cash verschijnt. In juli '54 volgt het debuut van Elvis Presley, That's All Right Mama. De single betekend het begin van een nieuwe stroming: Rockabilly, ook een mengvorm van r&b en c&w, wilder dan die van Bill Haley. Typerend zijn het nerveuze ritme en de oerbezetting met lead- en ritmegitaar en staande bas. Sun helpt meer beroemde rockers op weg: Carl Perkins, Roy Orbison (ook al ligt diens hoogtepunt na de rock & roll), Charlie Feathers (bij Sun puur country, later pracht-rockabilly elders), Warren Smith, Sonny Burgess en Billy Lee Riley. Presley verruilt het onafhankelijke Sun voor het grote RCA en maakt de doorbraak van de rock & roll definitief door vanaf maart '56 de hitlijsten te domineren. De ruwe en typisch zuidelijke rockabilly moet wijken voor een gepolijster sound, gericht op een steeds breder publiek. Het begrip rock & roll wordt intussen navenant ruimer. Andere grote labels zoeken vergeefs de blanke evenknie van Elvis. Van de majors scoren Capitol (Gene Vincent) en Decca-dochter Coral (Buddy Holly) tenminste nog met artistiek interessante namen. ABC's beste bod is de luchtige semi-doowop van Danny & The Juniors met At The Hop ('57), Mercury's voornaamste troef is The Big Bopper's novelity-hit Chantilly Lace ('58) en MGM vat het zoeken naar een gelijke strikt op en komt met de latere country-ster Conway Twitty, die Presley imiteert op It's Only Make believe ('58). Kleine labels blijven in '57/'58 beter anticiperen op de tienermarkt. Cadence (Everly Brothers) en Liberty (Eddie Cochran) doen goede zaken. Voor laatstgenoemd label scoort Johnny Burnette vanaf '60 met zote solo-hits, nadat hij enkele jaren daarvoor bij Coral vrijwel anoniem zijn beste werk heeft afgeleverd. "The Arkansas Wild Man" laat de meest rauwe en opwindende rockabilly horen sinds Elvis ten tonele verscheen. Die heeft echter, door bij RCA steeds meer op te schuiven naar mainstreampop, gezorgd dat de blanke rock & roll niet ophoudt bij door kerels uit het zuiden van de USA gezongen rockabilly. Met de opkomst van vrouwen (Wanda Jackson), Mexicanen uit Californie (Ritchie Valens), rockers uit Canada (Jack Scott), Engeland (Cliff Richard), zelfs Australie (Johnny O'Keefe) en instrumentals (Link Wray, Duane Eddy, Johnny & The Hurricanes) blijkt dat eens te meer. Desondanks blijft rock & roll op verzet stuiten. Vooral het vermeende gezagsondermijnende en losbandige karakter geeft problemen. Mede daarom wordt in de muziekindustrie de kans aangegrepen om minder aanstootgevende acts naar voren te schuiven. Vanaf '57 raken Little Richard, Elvis, Jerry Lee Lewis, Buddy Holly en Chuck Berry achtereen buiten spel door respectievelijk de Here, dienst, een schandaal, een vliegtuigcrash en het gevang. In hun plaats maken blanke tieners carriere die allereerst op uiterlijk te zijn geselecteerd. Model-idolen, wier plaatjes vaak net zo braaf, fris en verzorgd zijn als zijzelf. Na Pat Boone, die vanaf '55 zo ongeveer in zijn eentje het 'goede' voorbeeld is blijven geven door tal van r&b covers tot zoete- maar vooral grote- pophits te bewerken, is Ricky Nelson van de nieuwe 'teen idols' de eerste en de meest succesvolle. Dat laatste is niet geheel onbegrijpelijk. Zo ontstaan veel hits die hij voor Imperial opneemt met hulp van goede songschrijvers en muzikanten. In zijn topperiode ('57-'62) brengen vooral Poor Little Fool en de single Travelin' Man / Hello Mary Lou hem forluin. Grotere labels grijpen evenbeens de gelegenheid om weer greep op de hitlijsten te krijgen. ABC via Paul Anka ('57-'61), die zijn meeste hits (na Diana onder andere Lonely Boy en Put Your Hand On My Shoulder) zelf schrijft; MGM via Connie Francis ('58-'62), met als grootste hit Everybody's Somebody's Fool; en Decca via Brenda Lee ('59-'63), de tweede grote vrouwelijke ster, bij wie vooral I'm Sorry kassa betekent. De independents Cameo-Parkway en Chancellor, beide uit Philadelhia, doen goede zaken dankzij drie weinig getalenteerde, maar keurig ogende ideale schoonzonen. Cameo heeft Bobby Rydell, die nog enigszins kan zingen vergeleken bij de Chancellor-acts die hem voorgaan, Frankie Avalon en Fabian. Hun platen dragen dan ook in niet geringe mate bij tot de dubieuze muzikale reputatie van de tieneridolen. Desondanks zal 'Highschool', zoals de stijl ook wel wordt genoemd, van '59 tot '62 de hitlijsten overheersen. Ronnie Hawkins is dan ook de enige die zich het vuur en de vitaliteit van de rock & roll-hoogtijdagen ('56-'58) lijkt te herinneren, getuige de uitmuntende dubbelaar "The Roulette Years". Vanaf de jaren zestig Rock & Roll beleeft na de jaren vijftig diverse oplevingen, meestal in de vorm van en onder de noemer rockabilly. The Beatles en talloze andere beatgroepen hebben rock & roll-nummers op hun repertoire staan, evenals meer rhythm & blues-getinte groepen als The Rolling Stones. Veel jonge fans denken aanvankelijk dat deze bands zelf verantwoordelijk zijn voor de composities en merken pas later dat de originele versies vaak minstens zo opwindend zijn. Rock & Roll en Rockabilly beleven in hun originele gedaante een eerste revival in de vroege jaren zeventig. Pionier is de zweed Hank C.Burnette, die op een wat krukkige wijze zijn Amerikaanse rockabilly voorbeelden imiteert. Ook in Nederland en Belgie zijn veel bandjes, maar behalve commerciele rock & roll van Long Tall Ernie laten ze het op vinyl vooralsnog afweten. Het centrum van de Eurpese rockabilly is Engeland, waar deze muziek nooit is weggeweest. Immers, rockabilly is een belangrijk onderdeel van de subcultuur van de Teds, Gene Vincent en Eddie Cochran zijn de grote helden van de Teds; Bands als Crazy Caven And The Rhythm Rockers en Matchbox komen uit deze beweging voort. The Blue Cats en The Deltas zijn eveneens populaire groepen uit het Engelse rockabilly-circuit, evenals Shakin' Stevens (Michael Barrett), een uitstekend door Dave Edmunds geproduceerd zanger met het timbre van Elvis. Stevens maakt later een onafzienbare rij hits, waarvan This Ole House wel een van de bekendste is. Edmunds is tevens producent van de uit de Verenigde Staten naar Engeland verhuisde Stray Cats, die door hun attractieve show groepen als de Polecats, de Shakin' Pyramids en de Blue Cats inspireren. In de Verenigde Staten blijven oude rotten in het vak, Sleepy la Beef en Charlie Feathers, in de oude stijl voortreffelijke platen maken. Belangrijk zijn verder het rockabilly-syndicaat van Rockin' Ronnie Weiser (met als belangrijkste artiest Ray Campi) en de kliek rond Billy 'Crash' Craddock en Tex Rubinowitz in Washington DC. Rubinowitz en Charlie Feathers zijn de grote voorbeelden van Lux Interior, de zanger van de Cramps, de groep die de rockabilly gebruikt voor een eigen, grensverleggend monotone monster-sound. Ook de ex Suicide-zanger Alan Vega gaat in de slag met een kale rockabilly-sound. Mede Newyorker Robert Gordon laat ook in positieve zin van zich horen. Halverwege de jaren tachtig vindt er zowel in Engeland als in Nederland een opmerkelijke rockabilly-opleving plaats. Min of meer in navolging van de Cramps en de Engelse Meteors (van levende legende Paul P. Fenech) kent Engeland ontelbare neo- of psychobilly-groepen, die varieren van tamelijk traditioneel (Restless, The Jets, Long Tall Texans) tot psycho (Guana Batz, Sting-Rays, Torments, Frantic Flintstones). In Nederland komt een gelijksoortige beweging op gang, met enerzijds een groot aantal meer traditionele cats (Rumble Cats, Three Alley Cats), en anderzijds groepen die het genre iets ruimer opvatten, met aan kop het Rotterdamse Batmobile, die internationaal (vooral in Engeland) een geduchte live-reputatie opbouwt. The Stacy Cats, Square Cats, Asmodeus en Crocats zijn andere Nederlandse rock & roll-bands die begin jaren negentig met hun eerste CD's uitkomen. De meest opwindende Amerikaanse Rockabilly-band die in de jaren negentig van zich laat horen is het bloedhete trio van de Reverend Horton Heat. |