![]()
|
|
Vanaf eind jaren zestig de gangbare verzamelnaam voor
zwarte muziek in het algemeen. Maar met soul wordt ook een specifieke zwarte vocale stijl bedoeld, die verder terug gaat. Al in de jaren vijftig ontplooien zangers als Sam Cooke en Ray Charles een uit gospel en blues afgeleide vocale expressie, die steunt op veel emotie en techniek. Latere pioniers als Solomon Burke, Wilson Pickett en Aretha Franklin populariseren deze stijl bij een blank poppubliek. De meest opzwepende en broeierige soulmuziek wordt gemaakt in het zuiden van de Verenigde Staten, met name in Memphis en omstreken, waar o.m. in de studio's van Stax en Muscle Shoals legendarische soulsessies plaatsvinden. In steden als Detroit (Motown) en Philadelphia (Philly Sound) ontwikkelen zich commerciele varianten. De jaren zestig en zeventig vormen 'de Gouden Eeuw' van deze traditionele soulvormen, die naarmate de jaren tachtig vorderen echter steeds meer in de verdrukking raken. Op een paar uitzonderingen na (Malaco, Ichiban) zijn dan de onafhankelijke platenlabels met hun vaste huisbands en -producers verdwenen. Hierdoor klapt het regionale karakter van de soul- zoals onderstaand beschreven- in elkaar. |
|
De produktie van Mainstream
Soul concentreert zich dan voornamelijk in
de gestandaardiseerde studio's van New York en Los Angeles. Opvallend veel zangeressen, die ooit als veelbelovende souldiva's zijn binnen gehaald (Stephanie Mills, Melba Moore, Phyllis Hyman, Angela Bofill, Patti Austin, Randy Crawford, Mica Paris enz), weten die beloften zelden tot consistente carrieres uit te bouwen. Dat heeft niets met hun vocale kwaliteiten te maken, maar alles met zwak materiaal en fantasieloze producties. Bovendien rukken dansgenres op wqaarin de stem minder centraal staat, zoals disco en funk. Niettemin leveren de jaren tachtig een aantal grote soulsterren op: Whitney Houston, Maria Carey, Luther Vandross en Alexander O'Neal. De jaren negentig biedt naast een nadrukkelijk uit de jaren zestig puttend duo als Charles & Eddie, Oleta Adams, Buckshot Lefonge en de Britse Carleen Anderson de opgang van een 'nieuw' genre R&B. In dit zoetgevooisde genre keren veel van de stijlfiguren uit de soul terug. Als genre is soul dan versplinterd in talloze subgenres (Dance, Funk, HipHop, House). Hieronder een overzicht van de belangrijkste traditionele stromingen. |
|
Chicago Soul Gedurende de jaren zestig en zeventig is Chicago een belangrijk soulcentrum. De eerste platenmaatschappij die zich met succes op het genre stort is Vee Jay, voor Motown het grootste onafhankelijke zwarte label. Velen claimen zelfs dat Vee Jay de allereerste klassieke soulplaat produceert: For Your Precious Love ('58) van Jerry Butler & The Impressions (met Curtis Mayfield). Butlers latere Vee Jay ballad-hits mogen karakteristiek heten voor de lichte en subtiele Chicago-stijl. Andere succesvolle Vee Jay artiesten zijn: Dee Clark, Betty Everett, Fred Hughes en Gene Chandler. OKeh, het R&B-sublabel van Columbia, trekt producer Carl Davis aan, die zijn grootste succes boekt met Major Lance. Andere belangwekkende ontdekkingen van Davis zijn: Billy Butler (Jerry's broer) and The Enchanters, Walter Jackson en bovenal de magnifieke Ted Taylor. Chess profileert zich met zowel de harde soul (Etta James, Sugar Pie DeSanto en Little Milton) als softsoul-acts (Dells,Fontella Bass, The Radiants en Billy Stewart). Curtis Mayfields Windy C-label scoort vanaf '66 met de jongste soulfamilie The Five Stairsteps. De harde kant van de Chicago-soul wordt het sterkst vertegenwoordigd door Otis Clay (op George Leaners One-Derful-label) en Syl Johnson, die priemende hits scoort op Twinight Records. Vanaf eind jaren zestig wordt de Chicago soul vrijwel gedomineerd door Carl Davis en zijn producties voor het Brunswick-label: The Artistics, Jackie Wilson en Barbara Acklin. Twee van zijn Brunswick-acts groeien in de jaren zeventig uit tot supersterren: Tyrone Davis en The Chi-Lites. Midden jaren tachtig maakt Chicago furore als de bakermat van de 'House'. Malaco Soul Het is in Jackson, Mississippi gevestigde Malaco Records is een van de belangrijkste broedplaatsen van zuidelijke soul. De labelformule lijkt op de Memphis soul en dan met name die uit de befaamde Muscle Shoals studio (die men in '85 overneemt): een herkenbare, strakke sound, uitgevoerd door een vaste club studiomusici onder supervisie van een productiestaf bestaande uit Wardell Quezergue, James Stroud, Tommy Couch en Wolf Stephenson. Het label komt pas goed van de grond in '76, als Dorothy Moore een internationale hit heeft met Misty Blue. In de jaren tachtig breidt de Malaco-stal zich sterk uit met Z.Z. Hill, Denise Lasalle, Latimoore en Johnny Taylor. Hill (geboren 30-9-'35, echte naam Arzell Hill) wordt Malaco's topartiest, die hoge verkoopcijfers haalt. Zijn dood op 27-4-'84 is een gevoelig verlies, dat enigszins wordt opgevangen door het contracteren van de soulbluesveteranen Little Milton en Bobby Bland. De malaco soulblues kent een vrij consistente kwaliteit. Memphis Soul Hoe je het ook noemt -southern soul,deep soul, de Stax-sound, een groot deel van de emotioneelste soul van de jaren zestig en zeventig komt uit Memphis, Tennessee en Muscle Shoals, Alabama. Gekarakteriseerd door schroeiende blazers, kokende grooves en in gospel gedrenkte vocalen is het Southern-soulgeluid een fascinerende smeltkroes van regionale muziekstijlen. Blues speelt zeker een rol in de ontwikkeling van dit geluid, maar de invloed van de countrymuziek in southern soul is veel groter dan in alle andere soulvarianten, zowel qua vorm als in de niet zelden moralistische teksten. De voornaamste opnamestudio's in deze regio ontwikkelen huisbands en daarmee een eigen geluid. Zo ook het in Memphis gevestigde Stax Records. Opgericht in '60 door bankemployee en ex countryfiddler Jim Stewart en zijn zus Estelle Axton en aanvankelijk Satellite Records geheten, onderscheidt Stax zich onmiddelijk door Booker T. And The M.G.'s: organist Booker T. Jones, gitarist Steve Cropper, bassist Donald 'Duck' Dunn en drummer Al Jackson. Zeer innovatieve sessiemuzikanten, die zelf talrijke instrumentale hits scoren en onderwijl zo'n beetje iedere act uit de Stax-stal begeleiden. De beroemdste is Otis Redding , op de voet gevolgd door o.a. Carla Thomas, de onderschatte William Bell, Eddie Floyd, Arthur Conley en Sam & Dave. Vanaf halverwege de jaren zestig stuurt Stax zijn artiesten regelmatig naar Muscle Shoals. Daar bouwt Rick Hall in '62 zijn Fame-studio, van waaruit hij datzelfde jaar zijn eerste hit scoort met Arthur Alexander. Hall installeert diverse ritmesecties in zijn studio. Allemaal even goed, maar de bekendste ploeg- gitarist Jimmy Johnson, toetsenist Spooner Oldham, bassist David Hood en drummer Roger Hawkins- vormt toch wel het summum van de typerende Muscle Shoals-sound. Door deze ritmesectie (en het nationale succes van Percy Sledge) wordt de Fame-studio tussen '66 en '69 een waar soul-mekka. Clarence Carter maakt er zijn beste platen, evanals Candi Staton. Het Newyorkse Altantic Records zendt er Ben E.King, Wilson Pickett, Don Covay en Aretha Franklin naar toe. Chess stuurt Irma Thomas en Etta James. Van elders komen o.a. James & Bobby Purify, Joe Simon, Bobby Womack, Joe Tex en Solomon Burke. In '69 begint de genoemde ritmesectie haar eigen Muscle Shoals studio, waar ze gedurende de jaren zeventig ongekende successsen boekt met zowel soul- als popnamen. Stax blijft tot en met '72 superieure soul uitbrengen (Johnny Taylor, The Emotions, The Dramatics, Shirley Brown, Marie Joseph, The Staple Singers), maar gaat drie jaar later failliet. Hoewel minder geprofileerd dan Stax en Fame is het in Memphis gevestigde Goldwax Records eveneens verantwoordelijk voor exceptioneel intense Southern soul. Opgericht in '64 door Quinton Claunch en Doc Russell en gelieerd aan de Newyorkse platenfirma Bell, brengt het label de verzengende debuutsingle van O.V.Wright uit. Maar Goldwax' belangrijkste artiesten zijn The Ovations en de onvergelijkbare James Carr. Goldwax gebruikt vaak dezelfde sessiemuzikanten (gitarist Reggie Young, toetsenisten Bobby Wood en Bobby Emmons, bassisten Mike Leech en Tommy Cogbill en drummer Gene Chrisman), die later op talrijke hits voor producer Chips Moman on zijn American studio spelen. Het laatste belangwekkende bastion van de Memphis soul is Hi records. Trompettist Willie Mitchell maakt met zijn eigen combo gedurende de jaren zestig talloze instrumentale platen voor Hi. Uiteindelijk formeert hij als producer de Hi-ritmesectie, met de broers Hodges (Mabon, bijgenaamd 'Teenie' op gitaar, Charles op orgel en Leroy op bas) en drummer Howard Grimes. Hiermee ontwikkelt hij een minstens zo uitgesproken en karaktersitiek geluid als dat van de M.G's. Zijn grootste vangst is Al Green. Door Greens enorme succes raken de overige Hi-namen commercieeel enigszins in de verdrukking. Niettemin zijn de Hi-kantjes van met name de bluesy onderkoelde zangeres Ann Peebles, het damestrio Quiet Elegance, O.V.Wright en Syl Johnson van even grote klasse. Vanaf '77 gaat het snel bergaf met Hi. In '82 richt Mitchell het Waylo-label op, maar dit zet niet echt spectaculair door. Detroit Soul In '59 richt Berry Gordy Jr. in Detroit het (Tamla) Motown-label op, dat hij in korte tijd uitbouwt tot een imperium. Motown is niet zomaar een platenmaatschappij, het is een complete zwarte hitfabriek, gevestigd in een Detroits villaatje (Hitsville U.S.A.) met als slogan: The Sound Of young America, Motowns eerste platen staan nog met een voet in de highschool-rock & roll en doo-wop, zoals die van The Miracles, The Contours en de meidengroep The Marvelettes, maar tegen '64 ktijgt de Motown-sound gestalte. Gordy weet een indrukwekkend aantal artiesten, schrijvers, producers en studiomuzikanten om zich heen te verzamelen en weet hen bovendien tot grote prestaties te inspireren. Hij wil een brutaal zwart en onmiddelijk herkenbaar geluid, dat onweerstaanbaar is voor iedereen, ook blanken. Een hechte ploeg studiomuzikanten rond gitaristen Joe Messina en Robert White, pianisten Earl van Dyke en Ivy Hunter, bassist James Jamerson en drummers Benny Benjamin en James Giddons vervult daarbij een essentiele rol, terwijl producers als Norman whitfield, Smokey Robinson, Holland-Dozier-Holland en Harvey Fuqua voor een constante stroom hits zorgen. Typerend voor Motown is tevens de artist development afdeling, waar de artiesten begeleid en gecoacht worden. De belangrijkste Motown-herengroepen zijn Smokey Robinson & The Miracles, The Four Tops en The Temptations. De succesvolste damesgroep is The Supremes, al leveren Martha Reeves & the Vandellas menige klassieker af. Andere belangwekkende namen: saxofonist Jr. Walker, The Isley Brothers, Gladys Knight & The Pips, Marvin Gaye en Stevie Wonder. Motown slaat ook in Nederland aan, maar nergens zo hevig als in Groot-Brittannie. In de discotheken van Noord-Engeland (brandpunt Manchester) ontstaat zelfs een immens populaire cult rond de meer obscure Motown-(B)-kantjes, alsmede dito dansplaatjes van elders (vooral uit Chicago). Dit type uitzinnige en harde danssoul wordt daarom aangeduid als Nothern soul. Het is vooral populair onder mods en van grote invloed op talloze Britse popgroepen. In '70 rollen de laatste hits (van The Jackson 5) van de lopende Motown-band. Dan verkast de onderneming naar Los Angeles, verdwijnt de specifieke sound en wordt Motown een gewone platenmaatschappij. De belangrijkste R&B/soul-producer vlak voor Motowns glorietijd is Robert West met zijn Lupine-, Flick- en Contour-labels. Consistent nationaal succes bereikt hij niet, maar zijn stal bevat wel rauwe juweeltjes als de vocalgroep The Falcons (met o.a. Eddie Floyd en Wison Pickett) en The Ohio Untouchables (het latere funkcollectief The Ohio Players), rond de baanbrekende gitarist Robert Ward, die in '90 een comeback maakt met de fraaie Black Top-plaat Fear No Evil. Opmerkelijk is ook Devora Browns Fortune-label, dat vooral befaamd is om de platen van Andre 'Bacon Fat' Williams en Nolan Strong And The Diablos (een cruciale vroege invloed op Smokey Robinson). De meest actieve Detroit-labels na het vertrek van Motown zijn het door ex Motown-producers Holland-Dozier-Holland gerunde Invictus/Hot Wax (Freda Payne, Laura Lee, The Honey Cone, 100% Proof Aged In Soul, Chairmen Of The Board) en Armen Boladians Westbound Records met Detroit Emeralds, Fantastic Four, Denise laSalle en Funkadelic (George Clinton). New Orleans Soul In New Orleans begint het soultijdperk in '60, wanneer de 21-jarige Allen Toussaint als songschrijver, producer en arrangeur terechtkomt bij het lokale Minit-label. Minit Records (en iets later ook het Instant-label) wordt in '50 opgericht door Joe Banshak en Larry McKinley. Toussiant ontpopt zich als een eenmanshitfabriek en creeert een indrukwekkende reeks veel gecoverde soul-classics. Een greep: Ooh Poo Pah Doo voor Jesse Hill, Mother-In-Law voor de vocalgroep The Showmen, I Know voor Barbara George, Ya Ya voor Lee Dordey, Green Door voor Eskew Reeder (beter bekend als de beroepsidioot Esquerita), But I Do voor Clarence 'Frogman' Henry, Over You voor Aaron Neville en ballads als It's Raining en Ruler Of My Heart voor Irma Thomas. Toussaints producties kenmerken zich door een lenige studioband, zijn accentuerende pianospel en een knisperend funky geluid. Typerend is ook de zgn. 'second line', een syncoperende beat die tot ontwikkeling komt tijdens de Mardi Grass parades en de beroemde begrafenisoptochten in New Orleans. Vrij onbekend, maar wel heel erg mooi zijn de opnamen die Toussiant in de tweede helft van de jaren zestig maakt met zangeres Betty Harris. Ander belangrijke namen uit de New Orleans' soulperiode zijn Robert Parker (Barefootin'), de sterk door Ray Charles beinvloede Alvin Robinson en de Texaanse gitariste/zangeres/sonschrijfster Barbara Lynn, die haar platen speciaal in New Orleans opneemt. Johhny Adams zet het merendeel van zijn werk juist in Nashville op de band, begeleid door country-muzikanten. Maar hij is wel degelijk de sterkst geprofileerde country-soulzanger die New Orleans voortbrengt en die ook decennia later nog steeds uitstekende platen maakt. In de jaren zeventig leidt Toussaint, samen met zijn zakelijke partner Marshall Sehorn, New orleans het funktijdperk binnen. Philly Soul The Sound Of Philadelphia, kortweg de Philly Sound of Philly Soul, is een van de meest succesvolle en invloedrijke soulstromingen. De architecten van Philly zijn Kenny Gamble en Leon Huff, de wortels van hun Philadelphia International Records (PIR) liggen bij Carmeo/Parkway, dat begin jaren zestig het belangrijkste lokale label is. De in Kingston, jamaica geboren Gamble werkt er als songschrijver en leidt een eigen groep, Kenny And The Romeos. Van deze groep gaat ook Huff (sessiepianist voor o.a. Phil Spector) deel uitmaken. Tegen het eind van de jaren zestig hebben Gamble en Huff een solide reputatie opgebouwd als producers en songschrijvers, getuige o.m. hun hits voor The Intruders (op hun eerste label Gamble), Jerry Butler (op Mercury) en Archie Bell And The Drells (op Atlantic) en hun sessies met o.a. Wilson Pickett en Dusty Springfield. Vanaf '68 doen ze al hun producties in de plaatselijke Sigma Sound Studio. Ze drillen de huisband, MFSB (Mother, Father, Sister,Brother), tot een hitmachine: gitaristen Norman Harris, Roland Chambers en Bobby Eli, organist Lenny Pakula, vibrafonist Vince Montana, bassist Ronnie Baker, percussionist Larry Washington, drummer Earl Young en de arrangeurs Bobby Martin, Thom Bell en Don Renaldo. Stuk voor stuk stermuzikanten en vaklieden, van wie vele later op eigen houtje succes vergaren. Thom Bell stuwt The Spinners naar grote hoogten en smeedt talloze hits voor softsoul-acts als The Stylistics en de Delfonics. Harris en Eli creeren de hits van Blue Magic, Fist Choice en anderen. Het Harris-Baker-Young-team vormt de drijvende kracht achter The Trammps. Vince Montana wordt de topproducer van het Salsoul/Gold Mind label, waar hij de disco-classics van het Salsoul Orchestra, Loletta Holloway en Double Exposure maakt. De jaren zeventig zijn Gamble & Huffs gouden en platina decennium. Met bovenaan de hits van The O'Jays, Harold Melvin & The Blue Notes, Teddy Pendergrass, The Three Degrees, Lou Rawls, Billy Paul, zelfs de huisband MFSB, alsmede het gedegen werk van nieuwe acts als Mc Fadden & Whitehead, The Jones Girls en Dexter Wansel. Sommige platen bevatten opvallend sterke sociale boodschappen. Maar de sleutel tot Gamble & Huffs succes ligt toch in hun ultragepolijste en nauwgezette schrijf- en productiestyl, die altijd swingt als een trein. Een cruciaal aspect is dat ze de songs voor ieder afzonderlijke artiest speciaal op maat snijden. Dit in contrast met de 'fabrieksmatige' aanpak van Motown, waar de backing-tracks per artiest vaak inwisselbaar zijn. De klassieke Philly Sound vormt de inspiratie voor de later disco en blijft ook nadien een belangrijke kracht in de moderne muziek: de roots van pop/soul-stylisten als Lisa Stansfield, Simply Red en Soul II Soul (en hun vele imitators) en een dankbare sample-bron voor talloze hip-hoppers. Bovendien is de Philly soul het onmisbare basisingredient van de House. |
Soullinks
http://www.godfatherofsoul.com/
http://www.aretha-franklin.com/
http://anastaciablacksoul.iespana.es/anastacia/