

kan de volgende indeling gemaakt worden
Westerse volksmuziek is te 'vangen' in de gewone muziektheorie *.
Maakt meestal gebruik van de grootste gemene deler in de muziek (enkelvoudige maatsoorten, eenvoudige toonladders en ritmiek.
Nederlands - Iers - Engels - Deens - Duits - Frans - Noors - Pools - Spaans - Italiaans - Zweeds - USA
Toonsoorten,
maatsoorten en
ritmes zijn wat vaker ongebruikelijk en
klinken soms vreemd in onze oren.
Balkan -
Albanees -
Bulgaars -
Roemeens -
Hongaars -
Macedonisch -
Klezmer -
Grieks -
Turks
Argentijns - Braziliaans - Caraibisch - Colombiaans - Peruviaans - Spaans - Surinaams
In oosterse muziek komen juist
toonladders en ritmes voor die met de westerse
muzieknotatie niet goed te beschrijven
zijn.
Arabisch -
Indiaas -
Chinees
Vooral een ritmische traditie polyritmiek. Melodie is meestal ondergeschikt aan de ritmiek.
Muziektheorie is de leer van systematiek in de muziek. Basisbegrippen hierbij zijn onder andere melodie, harmonieleer, contrapunt, toonladder, interval, akkoord, ritme, vormleer. Dit in tegenstelling tot vakgebieden als muziekgeschiedenis.
Hoewel de toonladders die in de diverse muzikale tradities van de wereld zijn ontstaan vaak flink verschillen, is de frequentie van tonen in een bepaalde toonladder vaak af te leiden uit een betrekkelijk simpele wiskundige formule.
Op elk van de twaalf verschillende tonen in het reine octaaf zijn er mineur- en majeurtoonladders te construeren. Aan het begin van de notenbalk, exact op de betreffende toonlijnen worden kruisen (#) of mollen (b) geplaatst, ter verhoging of verlaging van bepaalde tonen, zodat alle toonsafstanden van de toonladder aan het majeur- of oorspronkelijk mineurafstandsschema voldoen in een bepaalde toonsoort.
Het binnen een muziekstuk overgaan van de ene in een andere toonsoort heet modulatie. Een aantal mensen, waaronder vaak vocalisten en muzikanten, beschikken over een absoluut gehoor.
Rond 1600 ontstond het harmonisch denken in akkoorden en het luisteren naar hun grondtonen. In deze functionele harmoniek zijn drie functies: Tonica (grondtoon), Dominant (spanningspunt) en Subdominant(ontspanningspunt)Door een afwisseling van spanning en ontspanning ontstaat de ervaring van een grondtoon en een toonsoort (tonaliteit). Een functionele akkoordopeenvolging definieert de toonsoort en heet: cadens. Gedurende de drie opeenvolgende eeuwen (1600-1900) werden steeds ingewikkelder akkoorden en cadensen gebruikt. Zo gebruikte bijvoorbeeld Chopin regelmatig passages met niet-functionele parallel-harmoniek, en ontwikkelde Wagner zwevende tonaliteit, waarbij een (functionele) grondtoon niet meer aanwezig of te herkennen is.
In het begin van de twintigste eeuw werd door een aantal componisten het werken met toonsoorten verlaten. Zo ontwikkelde Arnold Schoenberg atonaliteit d.m.v. dodecafonie, een opzettelijk grondtoonloze muziek, waarbij geen toon belangrijker mocht zijn dan de andere. Schoenberg noemde dit overigens zelf: pantonaliteit, maar deze term heeft geen algemene ingang gevonden. In navolging van Debussy en Ravel wordt in eigentijdse Jazz veelvuldig gebruik gemaakt van modale harmoniek en afwijkende akkoordbouw. In niet-westerse muziek zijn andere notaties gebruikelijk.